Met de feestdagen achter de rug werd het weer pijnlijk duidelijk: ik ben een echte anti-student. Niets mis mee opzich, maar alles waarbij je het gevoel hebt dat het niet helemaal normaal is, dat het niet helemaal klopt, dat je afwijkt van de ‘norm’ kan een mens onzeker maken. Nu ben ik niet de eerste die daar last van heeft, maar ook zeker niet de laatste.
Wellicht vraag je je af waar ik het over heb, en wat ik daar nou eigenlijk mee bedoel: ‘anti-student’. Het gaat hier om een zelfbedachte term, waar ik heel tevreden over ben. Ik denk namelijk niet dat er een term is die mijn “afwijking” beter kan omvatten.
Op de eerste plaats ben ik een anti-student omdat ik geen liefde heb voor school. Hoewel ik ervan overtuigd ben dat die gebrek aan liefde toch wat anders ligt dan bij heel veel andere school-hatende leerlingen, het is in ieder geval niet zo gek en/of afwijkend. Dan ga je reizen, of werken om te kunnen reizen, of je neemt een ‘tussenjaar’ en gaat gewoon helemaal niets doen. Niets doen, behalve feesten. En over feesten, dáár wil ik het eigenlijk over hebben.
Want hoewel ik op mijn veertiende al ‘s nachts door de stad liep (denk jezelf niets wilds in); dat had niets te maken met een behoefte daar te zijn. Ook niet met ‘erbij’ horen, of stoer doen. Ik zag het als het onderhouden van sociale contacten, het iets nieuws proberen, en eigenlijk vooral als iets wat je gewoon dééd. Zo rond die leeftijd ga je naar school, maar je gaat ook uit. Volwassenen, leeftijdsgenoten, of jongere kinderen die naar je opkijken: ze vragen het, maar het klinkt als een retorische vraag. Want waarom zou je níet uitgaan?
Die vraag kan ik nog steeds niet echt beantwoorden, en daarom vind ik het – in tegenstelling tot mijn kleding of uiterlijk- nog steeds moeilijk dat ik op dit punt afwijk. Hoe ouder ik werd, hoe meer drank er in het spel kwam, hoe meer drugs erbij kwamen kijken, hoe meer gênante mensen ik zag die ik gewoon niet wílde zien, hoe verder weg het moest zijn, hoe wilder het werd, hoe langer het moest duren: hoe meer grenzen er opgezocht moesten worden. Hoe meer ik afhaakte.

Inmiddels gaat mijn anti-student gehalte verder dan alleen het niet-feesten. Ik zie enorm op tegen het moment dat ik eventueel op kamers zou moeten. Ja, ik zou best het huis uit willen, maar in één of ander ranzig studentenhuis? Nee dankje. Ook mijn sociale leven is niet om over naar huis te schrijven. Deze is nooit echt denderend geweest, maar doordat ik met mijn blog heel individualistich bezig ben, is deze zeker tot een dieptepunt gedaald. Ook de nonchalance, het genieten van het leven, mis ik. En een saamhorigheidsgevoel. Die heb ik als ik in de Bijenkorf loop, tijdens de Drie Dwaze Dagen. Maar als ik ontgroeningsverhalen hoor? Bij het idee alleen al trek ik bleek weg.
Ik ben een perfectionist die niet kan ontspannen en moeilijk kan genieten. Iemand die altijd denkt: ‘het moet beter kunnen’, ‘eigenlijk zou ik tóch harder moeten werken’ en ‘ik kan het me niet permitteren om gewoon even niets te doen’. Maar de hoge eisen die ik aan mezelf stel, stel ik ook aan anderen. En, ondanks dat ik weet dat het belangrijk is voor je welzijn en ontwikkeling, het investeren in sociale kringen vind ik vooral vermoeiend.

Natuurlijk wil ik hierbij niet alle studenten over één kam scheren, en al helemaal niet doen alsof studenten alleen maar de hele dag feesten en geen eisen aan zichzelf stellen, dat is onzin. Ik heb het nu over de levensfase van het student zijn, een fase – en ik weet dus nog steeds niet of ik er blij mee moet zijn of niet- die ik nu officieel dreig over te slaan. Het gegeven is dat de laatste keer dat ik ‘s nachts in de stad te vinden was, was toen ik mijn VWO-diploma haalde. Daarmee heb ik blijkbaar niet alleen een periode van school afgesloten…
Foto’s zijn oude beelden.